|
Dag 1
Op naar Venetië, via de A1 richting Keulen, het eerste oriëntatiepunt. Helaas veranderden de reisplannen van de bijrijder op het laatste moment, dus de gedroomde dialoog werd een monologue interieur. Waar praat je zoal over met jezelf op een lange rit? Eén onderwerp dient zich als vanzelfsprekend aan: het uitzicht. Een onderwerp met meer lading dan zo op het eerste oog lijkt.
Een jaar of wat geleden moest er ineens werk worden gemaakt van ‘de snelweg’. Het werd zelfs een heus architectonisch ‘grand project’, een ontwerpopgave voor een talentvolle architect, die eens moest kijken hoe het traject van de A12 van Arnhem tot Rotterdam wat homogener gemaakt kon worden. In Nederland bouwen we relatief weinig heel direct aan de snelweg. Sommige woonwijken staan er nog van oudsher en die worden weggewerkt achter dichte bossages of hoge geluidswallen (van uiteenlopend karakter). Dat zijn al de eerste ‘objecten’ langs de snelweg. Maar het beeld wordt vooral bepaald door de bedrijfsgebouwen. Deze staan meestal vijfentwintig tot vijftig meter van het asfalt, ‘at arms lenght’. Ook langs de A1 is dat niet anders. Jarenlang waren deze bedrijfsgebouwen de risee van de architectuur. ‘Snelwegarchitectuur’ werd synoniem voor zouteloze, wansmakelijke, blokkendozerige systeembouw. Het allerergst waren de ‘leuke’ geveldelen die als toefje slagroom op zo’n doos werden gespoten, meestal totaal uit verhouding en volstrekt stijl-loos. De kritiek was niet aan dovemansoren gericht. ‘Snelwegarchitectuur’ begint meer en meer een echte ontwerpopgave te worden, zo blijkt bij nadere bestudering van het lint langs de A1. Van grootse innoverende inzichten is nog steeds geen sprake, maar tussen de oude rommel fonkelen nieuwe parels. Er lijkt in ieder geval nágedacht. Even voorbij Amersfoort verrees recent bijvoorbeeld een gebouwtje dat overduidelijk schatplichtig is aan Rem Koolhaas, maar dat toch iets verrassends biedt op die plek. En zo ontdekt het oog wel meer dat boven de middelmaat uitstijgt.
Hoe zou dat in Duitsland zijn? Het grootste deel van de rit gaat toch door dit land. In Duitsland domineert de natuur. De Autobahn is omgeven met bomen en struiken. Zelfs in het Ruhrgebiet is het meeste van de zware industrie (of de tekenen van de grootstad) weggewerkt achter gebladerte. Het nadeel: je lijkt continu in een soort groene tunnel te rijden, wat op den duur ook wel geestdodend is. Pas in het zuidelijke deel – waar het landschap gaat glooien – komen er gaten in de groene wanden en krijg je doorkijkjes op het lommerrijke landschap, met links een kerk en rechts een kasteel ergens op een heuvel; keurig aangegeven met bruine toeristische borden langs de weg. Natuurlijk., je ziet ook bedrijvigheid, industrie en fabrieken, maar niet zo heel nadrukkelijk als in Nederland. En wat je ziet heeft geen enkele architectonische pretenties. Het is wat het is: fabriek. Dat is uiteindelijk beter dan de oppervlakkige net-niet-vormgeving waar de bedrijfsbouw in Nederland tot voor kort het patent op had.
In Zwitserland is het weer een heel ander verhaal (even werd de route over München overwogen, maar omwille van de snelheid werd het uiteindelijk toch Basel en de Gotthard-tunnel). Een veel minder dichtbevolkt land en dus ook minder ‘ruis’ langs de snelweg. Bij Bazel blijft het verbazingwekkend hoeveel zware industrie zo’n relatief kleine stad kan herbergen. De route door de stad is een oerwoud van asfalt en fly-overs, dat nog eens extra visueel kakofonisch is, doordat op alle mogelijke plaatsen aan de weg wordt gewerkt. Daarna echter: rust. Voor de Gotthard-tunnel rij je vrij dicht op de dichtbeboste bergen, erna krijg je schitterende vista’s. En steeds is er ergens een besneeuwde rotspunt in beeld. Ook al is het door de bewolking (en regenspetters) heen. Hier zie je waar Hodler en Casper David Friedrich hun inspiratie vandaan haalden. Hodler keek letterlijk naar de Zwitserse bergen, die hij tot sterk symbolisch geladen motief maakte. Friedrich vond zijn ontzagwekkende berglandschappen in Duitsland. Van beiden voel je de gesublimeerde sehnsucht en melancholie bij het aanschouwen van het berglandschap tegen het vallen van de avond. Die intensiteit werd nog eens extra ervaren, doordat de weg vrijwel leeg was en de (geestes)blik daardoor vrijuit op de omringende massieven kon worden gericht.
Uiteindelijk werd zo in het halfdonker Italië bereikt. Zodra Milaan naderde, werd de organisatie langs de snelweg meer en meer geïmproviseerd. En dat is een eufemisme voor: een zootje. Vrijheid, blijheid. Dicht op de weg, her en der een glimp van een landschap, maar vooral het soort adhoc-bouw dat geen enkele planning verraadt. Zo kan het dus ook. Zodra de volgende dag bij daglicht het laatste traject tussen Brescia en Venezia wordt afgelegd, blijkt ook hier dat minder dichte bevolking meteen pittoreske vista’s oplevert. Lang leve de Italiaanse heuveldorpjes!
De allerlaatste fase van de heenreis moet dan nog komen: de veerpont door het Canale di Fusina van Tronchetto naar het Lido, waar het hotel is gesitueerd. Ook dit is – op Venetiaanse wijze – een snelweg. Maar dan wel met de straatwanden van Giudecca en de Fondamente Zattere als decor! En natuurlijk het zicht op het Dogenpaleis en de klokkentoren van San Marco. Ook al is het de twaalfde keer: het blijft een ultieme reisuitzicht. Over de eeuwen opgebouwd én geconserveerd. Kom daar bij de A1 maar eens om.
Tekst en foto's : Robbert Roos
|